Deze winter bezoekt Haags Straatnieuws de plekken waar mensen zonder woning de nacht doorbrengen. Deel twee van een driedelige serie nachtelijke reportages: een nacht in het Passantenverblijf van de Kessler Stichting, aan Delagoastraat 36-38.
16.00 De rij voor de deur van het Passantenverblijf stroomt langzaam naar binnen.
17.00 Charles rookt shaggies, aan tafel in de rookkamer. Hij heeft een keurig gestreken overhemd, gedistingeerde grijze haren en een leesbrilletje op de neus. Hij is pas drie weken dakloos, zegt hij, en deze week al gaat hij naar een huisje kijken. Hij heeft geluk gehad. “Een paar maanden geleden ging het fout. Mijn relatie was voorbij, mijn vrouw vertrok, ik raakte werkloos, kon de huur niet meer betalen en ineens stond de deurwaarder voor de deur. Mét de politie, om de woning te verzegelen.” Waar ga je dan naartoe? Hij sliep een nacht op straat, en begon de dag erna aan een rondgang langs verschillende instanties. Het Centraal Coördinatie Punt (CCP), de Sociale Dienst, de Kessler Stichting, de gemeente. “Ze zeggen dat ik een gedragsprobleem heb. Ik zeg waar het op staat. Daardoor heb ik mijn baan verloren en misschien ook wel mijn relatie. Maar daardoor heb ik óók binnen een week een daklozenuitkering kunnen regelen, zodat ik de opvang hier in het Passantenverblijf kon betalen. En ik heb heel snel weer een huis kunnen regelen. Dus is mijn gedragsprobleem echt een probleem?” Een daklozenuitkering bestaat uit negentig euro per week. Een kleine toelage voor de essentiële persoonlijke benodigdheden: shag, shampoo, beltegoed, tandpasta, een paar biertjes overdag en een overnachting in het Passantenverblijf à twee euro.
Voor: Haags Straatnieuws
Beeld: Eric Kampherbeek
Tekst: Jeroen Stam
Naast Charles zit Irene shaggies te roken. Ze is vijfenveertig jaar, en slaapt vanavond voor de derde nacht in het Passantenverblijf. Voor vrouwen is er een aparte afdeling waar mannen niet binnen kunnen. Twintig jaar geleden is bij haar borderline geconstateerd. Haar twee dochters heeft ze zelf uit huis laten plaatsen en samen in een pleeggezin laten onderbrengen. Het contact is nog steeds heel goed. Ze huurde particulier een kamertje, maar vorige week zat de deur plots op slot. De huisbaas had de kamer aan iemand anders verhuurd. Daar stond ze. Geen geld, geen spulletjes, en tja..., wat dan? Irene kent de weg in het hulpverleningscircuit goed en kon snel in het Passantenverblijf terecht. “Morgen ga ik naar mijn begeleider om medicijnen en een andere woning te regelen. Ik hoor stemmen in mijn hoofd, ik snijd mezelf en kan soms heel depressief raken. Ik ben al vaak opgenomen. Ik weet niet of ik nu een woning kan krijgen, dus voorlopig slaap ik hier. Het is hier wel druk en leuk is anders. Maar ik ben blij dat ik in ieder geval een dak boven mijn hoofd heb.”
18.00 Etenstijd. De passanten stellen zich netjes op voor een kar met metalen bakken. Willem, 60 jaar, type vriendelijke opa, geeft me bord en bestek aan: “Hier jongen, jij eet vanavond ook mee!” Op het menu staat boerenkool met een kiptartaartje, met een gezellig kuiltje jus. Charles en Irene gebaren dat ik bij hun mag komen zitten. Als ik vraag hoe het smaakt, zeggen ze tegelijk dat het best lekker is, maar dat het thuis toch lekkerder smaakt.
DOORGEKNIPTE BROEKEN
19.00 Als iedereen heeft geholpen bij het afruimen, klinkt er gehuil van een vrouw. Haar vriend heeft haar vandaag uit huis gegooid. “Die klootzak heeft al mijn broeken doorgeknipt!”, schreeuwt ze. Ze heeft zich vandaag voor de derde keer in het Passantenverblijf gemeld, ook al had ze zich na de laatste keer voorgenomen nooit-maar-dan-ook-nooit meer te gaan gebruiken en goed voor zichzelf te zorgen. Maar haar vriend had andere plannen, maakte haar geld op aan drugs en heeft haar op straat gezet. Van haar laatste geld heeft ze vanmiddag coke gekocht. Toen dat op was, werd het duidelijk. Buiten regende het, naar huis gaan was geen optie, alleen het Passantenverblijf bleef over. “Ik ben heel beschermd opgegroeid, maar toen ik begon met blowen ging het mis. Verkeerde vriendjes, na het blowen ging ik drinken, en toen kwam de coke. Nu heb ik geen huis, geen kleren, geen geld, en moet ik hier slapen. Gelukkig heb ik een dak boven mijn hoofd, maar morgen heb ik een gesprek met iemand van de verslavingszorg en ik schaam me dood. Moet ik weer mijn hele verhaal gaan doen. Ik hoop maar dat ze me nog willen helpen.”
HANDKAR
20.00 Het wordt rustiger in de rookkamer. Veel passanten kiezen voor de relatieve rust van een van de slaapzalen, met vier tot acht stapelbedden. Daar brandt geen licht, mag niet worden gerookt worden en is het stil. In de rookkamer daarentegen lopen mensen constant in en uit, staat de tv hard en probeert iedereen de tv te overstemmen. Het staat blauw van de rook. Is de onrust en het gebrek aan privacy niet vervelend? Willem: “Natuurlijk, ik had liever een eigen kamer in het Kurhaus. Maar de prijs was net iets te hoog, haha! Privacy mis ik wel. Weet je, als man wil je je af en toe toch even ontspannen. Je mannelijkheid door de handkar halen, begrijp je wat ik bedoel? Dat kun je niet op straat doen. Dáárom gaan sommigen al zo vroeg naar bed!”
21.30 Richard loopt in pyjama en met natte haren van het douchen de rookruimte in, om een laatste shaggie te roken voor het slapengaan. “Ik ben verslaafd geweest aan cocaïne en heroïne en heb drie jaar op straat geleefd, zonder in de opvang te slapen. In de zomer was dat best te doen, maar in de winter was het echt vre-se-lijk. Ik sliep op Centraal Station, op het rangeerterrein van de NS boven de A4, in het Zuiderpark of op het strand. In de winter had ik soms zes dekens nodig om warm te blijven. Ik werd opgejaagd door de beveiliging, mijn dekens werden door andere daklozen gejat en soms had ik alleen maar wat kranten om mezelf warm te houden. Ik moest iedere dag uit stelen. Jullie zouden me een veelpleger noemen, maar ik kon gewoon niet anders. Na tientallen arrestaties heb ik elf maanden gezeten en dat is mijn redding geweest. Ik kreeg methadon en kon eindelijk afkicken. Over een paar weken ben ik daar ook vanaf.”
VUURWAPENS
23.15 Harry en Elly staan achter de balie. Ze nemen de spulletjes in ontvangst die de gasten moeten inleveren voordat de deur elektronisch wordt geopend naar de slaapkamers. Tabak, aanstekers, telefoontjes, niets mag mee. In ruil voor hun kleding krijgen de passanten een pyjama voor de nacht. Vuile kleding kan in één van de industriële Miele's die op de gang staan te draaien.
Een grote, Antilliaanse man loopt woest te schreeuwen. Harry: “In principe is er niets aan de hand. We vroegen hem wat rustiger te doen en nu is hij kwaad. Hij bedreigde me en zei dat hij me nog wel op straat zou tegenkomen. Niets bijzonders, dat hoort gewoon bij.” Ondertussen staat er een klein Marokkaans vrouwtje in pyjama bij de balie. Elly neemt haast vertederd de shag in ontvangst. “Slaap lekker, lieverd!”. Een grote Afrikaan komt aanlopen. Hij heeft honger, gebaart hij. Harry zegt dat etenstijd om zes uur was. De man blijft gewoon staan. Harry haalt zijn schouders op, loopt naar de keuken en brengt een pakje broodjes van de Soepbus mee. “Alsjeblieft jongen, en daarna lekker gaan slapen, hè?” Weer een zweem van vertedering. Elly: “Ik werk hier nu een paar jaar. Daarvoor zat ik in de hulpverlening. Dit is veel leuker. Okay, het zijn niet de makkelijkste mensen, maar hier is het nooit saai. We hebben alles al een keer meegemaakt, we zijn niet zo snel van ons stuk gebracht.” Harry: “Het mooie is dat je direct mensen kunt helpen. In de reguliere hulpverlening gaat hulp vaak over zoveel schijven. Formulieren, behandelplannen, administratie. Hier kan ik direct zorg verlenen. Ik wil niets anders meer!”
De regels in het passantenverblijf zijn strikt. Niemand gaat de slaapzaal op zonder toestemming. Geen wapens, geen drugs of drank. Wie dronken binnenkomt, wordt geaccepteerd, maar moet na het eten meteen naar bed. Bij gevonden vuurwapens (bij de ingang staat een levensgrote metaaldetector) wordt de politie gebeld. Steekwapens worden in beslag genomen. In geval van geweld wordt geen medeleven getoond, je staat direct op straat. Maar een beetje schreeuwen, een duw, dat noemen ze geen geweld. Bezoekers leven in een harde wereld, ruwe omgangsvormen kenmerken hun bestaan.
OPGEJAAGD
01.30 Iedereen slaapt.
05.30 De bewoners van het Passantenverblijf worden langzaam wakker. Sommigen hebben een baan in de bouw of het Westland en gaan vroeg de deur uit. De anderen staan wat langzamer op en ontbijten met boterhammen, shaggie's en koffie in de rookkamer. Er wordt gerocheld, iedereen is verkouden of ziek.
9.00 uur De laatste bezoeker gaat weer voor een dag de straat op. Iedereen krijgt een lunchpakket mee met acht belegde boterhammen. De meeste bezoekers reserveren ook direct een slaapplaats voor vanavond.
11.00 Het stortregent, de temperatuur ligt rond de vier graden. Dak- en thuislozen doden tijd. Ze hangen in het Zuiderpark, slenteren door de stad, drinken bier op een pleintje of worden opgejaagd worden door de politie.
16.00 De rij voor de deur van het Passantenverblijf stroomt langzaam naar binnen.
Herkenbaar en mooi geschreven, zonder emoties of oordelen. Dat mag de lezer zelf doen.
Elly Burgering (Email) (URL) op 13 Januari
Elly Burgering (Email) (URL) op 13 Januari
Trackback link
Trackback link: http://www.subscript.nl/pivot/tb.php?tb_id=202

