‘We hadden constant politie aan de deur.’
“Ik ontmoette hem op een bankje in het park, midden in de zomer. De zon scheen door de bladeren, vogels floten, heel romantisch. Ik was op slag verliefd. Wat ik toen niet wist, was dat hij zwaar verslaafd was aan alcohol. We begonnen een relatie en kregen drie kinderen.” Rika den Hollander (1967) woont tegenwoordig in het Sociaal Pension Oranjeplein van het Leger des Heils. Dit is een speciale woonvoorziening voor vijftig cliënten met een dubbele diagnose, mensen die naast psychische problemen ook kampen met bijvoorbeeld schulden of verslaving.
“Ik heb een heel normale jeugd gehad, op school ging alles prima. Ons gezin, mijn ouders en drie kinderen, woonde op een boot die aan een Leidse gracht lag. Mijn vader werkte in de bouw, mijn moeder was huisvrouw. Op mijn elfde ging ik naar het LBO B. Daarna heb ik een SVH horecaopleiding gedaan. In Lelystad ontmoette ik mijn man. Tijdens onze relatie ben ik net als hij gaan drinken. En met de drank kwamen de problemen. We hadden constant politie aan de deur, vanwege geluidsoverlast en omdat we de kinderen verwaarloosden. Dat is uiteindelijk zo ver gegaan dat onze kinderen in twee verschillende pleeggezinnen zijn geplaatst. Terugkijkend had ik nooit gedacht dat het allemaal zo vreselijk uit de hand zou lopen. Dat dit míj zou overkomen. De dag dat onze kinderen werden opgehaald door de kinderbescherming was de zwartste dag uit mijn leven. Ik had nooit overwogen om een einde aan mijn leven te maken, maar die dag was ik het liefst in een groot gat in de grond verdwenen. Ik verliet mijn man voor een ander, die ook bleek te drinken. Toen hij mij begon te mishandelen en misbruiken, heb ik ondergedoken gezeten in een Blijf-van-mijn-lijfhuis. In Leiden ging ik in een bordeel werken en begon ik drugs te gebruiken. Uiteindelijk ben ik via een afkickprogramma van Parnassia in dit Sociaal Pension terecht gekomen.”
Voor: Haags Straatnieuws
Beeld: Eric Kampherbeek
Tekst: Jeroen Stam
“Deze foto is een jaar of vijf geleden genomen in de tram, op de hoek Prinsegracht – Lijnbaan. Op de foto zie ik mezelf. Dat ben ik. Ik was op het moment dat de foto werd genomen echt gelukkig, dat zie ik aan de blik in mijn ogen. Ik zie een mooie, jonge vrouw die geluk uitstraalt. Ik was verliefd op een hele leuke man. Als ik terugdenk aan wat er sinds die tijd is gebeurd, gaat er zoveel door me heen. Ik voel het geluk van toen nog steeds, maar ik ben nu niet gelukkig. Ik heb weliswaar een omgangsregeling met mijn kinderen, maar ik zie ze veel te weinig. Ik mis ze! Mijn moeder is vier weken geleden overleden en ik mis haar zo erg dat het pijn doet. Ik ben blij dat ik in het Sociaal Pension woon, maar ik voel me er niet vrij. Het is al een tijd geleden dat ik me echt gelukkig heb gevoeld.”
‘Ik hoorde stemmen in mijn hoofd’
“Tijdens een vakantie in Spanje werd ik ziek. Ik kreeg last van stemmen in mijn hoofd. Die stemmen vertelden me dat ik als model veel geld kon verdienen.” Koos van Rijn (1955) leeft in Huize Tichelaar van de Kessler Stichting. Praktisch alle vijfenzestig bewoners hebben psychiatrische problemen en kunnen zichzelf redden mits ze een veilige, gestructureerde woonomgeving hebben met deskundige begeleiding. “Ik ben geboren in Leiden en opgegroeid in Katwijk. Twintig jaar heb ik bij het Ministerie van Justitie gewerkt. Na de vakantie waar ik ziek werd, heb ik me een jaar lang vrijwillig laten opnemen in een psychiatrische inrichting. De stemmen werden steeds heftiger. Ze spraken in een geheime code, die alleen ik kon begrijpen. Ik werd er letterlijk helemaal gek van. Ik kampte eerder al met zware depressies, de stemmen waren onderdeel van een psychose. Ondanks de psychoses heb ik na mijn opname nog een tijd bij Justitie gewerkt. Ander, eenvoudiger werk, voor een paar uur per dag. Maar uiteindelijk ben ik rond 1990 volledig afgekeurd. Met behulp van een Amsterdamse psychiater verdwenen de stemmen na een paar jaar. Soms denk ik er wel eens aan en dan denk ik dat ik ze weer hoor. Na meerdere opnames ging het gedurende zes jaar in een beschermde woonvoorziening zo goed met me dat ik zelfstandig ging wonen. Dat ging snel fout. Sinds 1997 woon ik in Huize Tichelaar. Het gaat goed. Ik zing in een koor dat tijdens het volgende Zeeheldenfestival optreedt. We hebben een hele moderne, schone keuken, waar ze heel lekker eten koken. En in onze zaal hangt een groot scherm waar we samen voetbalwedstrijden en schaatsen op kijken. In de zaal is ook een bar, maar alleen de mensen die geen zware medicijnen gebruiken, krijgen bier. Ik mag alleen maltbier drinken. Ik ben nu niet ongelukkig. Maar door mijn ziekte mis ik veel dingen die voor andere mensen vanzelfsprekend zijn. Ik heb problemen met mijn oriëntatie- en concentratievermogen en mijn fysieke conditie is verslechterd. Ik heb al vijf jaar lang geen psychoses meer gehad, dus als je het niet erg vindt, klop ik even af.”
“Deze foto is ongeveer halverwege de jaren tachtig genomen, tijdens een gezellig avondje met mijn collega's van Justitie. Als ik naar deze foto kijk, dan voel ik dat ik daar gelukkig was. Ik voelde me veilig, had een heel goede band met mijn collega's. Zelfs nu nog voel ik het enthousiasme dat ik had in die tijd. Ik ging veel op vakantie naar Spanje, Griekenland en Turkije. Maar als ik terugdenk aan die tijd, voel ik ook verdriet en angst. Verdriet om wat er is gebeurd en om wat ik heb meegemaakt. Maar ook angst, om de psychoses die zomaar weer kunnen terugkeren.”
‘Ze stierf in mijn armen.’
“In het jaar 2000, tijdens de zwangerschap van mijn vierde kindje, zijn al mijn problemen begonnen. Ik verloor zoveel bloed dat iedereen in het ziekenhuis dacht dat ik een miskraam had gehad. Maar gelukkig bleek bij de echo dat het kindje nog leefde. De bloedingen bleken te komen door een bloedstollingziekte, waarvan ik niet wist dat ik die had. Na zesentwintig weken - ik lag al in het ziekenhuis vanwege allerlei complicaties - werd het kindje spontaan geboren. Ze leefde, maar ik zag meteen dat er iets niet goed was. Ze huilde niet en was zo zwak dat ze binnen een half uur in mijn armen is overleden. Als ik nu ergens kinderspeelgoed zie liggen, krijg ik bijna het gevoel dat ze om me roept.” Tanja van den Braak (1966) woont in een woongroep in Ypenburg, het laatste station voor ze weer zelfstandig gaat wonen. In een paar jaar raakte ze de zorg over haar drie kinderen en haar huis kwijt. “De vader van mijn kinderen is een echte vrijbuiter en geen gezinsman of huisvader. Omwille van de kinderen wilde ik toch dat we bij elkaar leefden. We woonden op de Veenkade, hij op de begane grond, ik met de kinderen erboven. Het eerste jaar na de dood van mijn kindje heeft mijn familie me heel erg gesteund. Maar na een jaar werd dat ineens veel minder. Iedereen vond dat ik het nu maar moest vergeten. Het was tijd om aan andere dingen te gaan denken. Maar ik was zo ongelukkig door het verlies van mijn meisje, dat ik begon te drinken om me weer iets beter te voelen. En in die tijd werd ik weer zwanger. Ditmaal beviel ik van een jongetje. Hij werd met een acute keizersnee gehaald. Door deze zwangerschap had mijn baarmoeder zo'n klap gehad, dat zij in het ziekenhuis is verwijderd. Dat verlies, en het verlies van mijn kindje, is bijna ondraaglijk. Ik raakte langzaam in een steeds diepere depressie, en ging steeds meer drinken. De klap was de tweede sterfdag van mijn dochtertje. Er was die dag niemand van mijn familie of schoonfamilie op het kerkhof. Ik kwijnde steeds meer in mezelf weg, en mijn familie keek niet meer naar me om.
Mijn man wilde niet meer voor de kinderen zorgen en begon me te mishandelen. Hij dronk veel en snoof cocaïne. Jeugdzorg plaatste mijn kinderen uit huis. Ze vonden het onverantwoord dat zij mij zagen rondlopen met blauwe ogen, gebroken armen en zelfs steekwonden. In 2007 deed ik uiteindelijk een terminale suïcidepoging. Weken heb ik op de intensive care gelegen. Daarna ben ik gaan zwerven. Ik heb een tijdje in het Haagse Bos geslapen en veel bij kennissen. Totdat ik uiteindelijk bij Limor op het Westeinde terechtkwam. Nu woon ik in deze woongroep om mijn zaken op orde te krijgen zodat ik over een half jaar zelfstandig kan wonen. Eerst moet ik in mijn hoofd nog tot rust komen.”
“Als ik naar deze foto kijk, zie ik mezelf in een goede tijd. Ik was een mooie vrouw en een goede moeder. Ik was toen gelukkig. Ik verzorgde mezelf nog goed. Ik zou willen dat ik die vrouw weer was. Ik voel me nu helemaal niets, waardeloos bijna. Aan mijn lot overgelaten. Ik heb altijd voor iedereen gezorgd en toen ik hulp nodig had, heeft iedereen me laten vallen. Op de foto staat een vrouw die lééfde. Nu leef ik eigenlijk niet. Er is een sterke kant in mij die nooit weggaat. Waar die vandaan komt, weet ik niet. Maar ik was hem bijna kwijtgeraakt.”
Trackback link
Trackback link: http://www.subscript.nl/pivot/tb.php?tb_id=210

